Doorgaan naar hoofdcontent

Posts

Aan de Boskant - dertien

Ben je zeker dat ons nest warm genoeg zal zijn deze winter? vroeg ze toen ze al hun plaatsen in het nest hadden ingenomen en zij haar glinsterende vleugels netjes opgevouwen had. Normaal wel, antwoordde hij. Ik voel nog steeds een zuchtje wind doorheen het mos, de bladeren en de takjes. De winter is erg vroeg dit jaar en de wind snijdt al, maar het nest is veel dichter gemaakt dan vorig jaar, kruip maar dicht tegen me aan. Als eerste deed Springeekhoorn zijn ogen dicht, Zilvervleugel lag nog een beetje te doezelen en zag hoe de laatste vlinders van dat jaar zich door de twijgjes wrongen om zo dicht mogelijk bij hen te zijn. Wat ook zij niet meer zag, was hoe die laatste vlinders hun eitjes legden voor de wind hun tere vlegels meenam en hoe nog voor de ijzige noord- en oostenwind het land en het bos teisterden, de poppen van die larven ook het kleinste gaatje in hun nest hadden opgevuld. Het nest was één grote witte bol geworden die zelfs de koude van Siberië had kunnen tr...

Aan de boskant - Twaalf

Het was in feite niet eerlijk voor Zilvervleugel dat toen zij wakker werd, geconfronteerd werd met iets dat volledig om haar heen gebeurd was en waar ze toch zo direct mee geconfronteerd werd, maar ze ging er heel licht mee om. Hoewel ze soms wel degelijk vloekte, was ze heel blij dat haar springer nog steeds bij haar in de buurt was. De rest hoefde ze niet echt te weten. Springeekhoorn loste bijzonder weinig over wat er gebeurd was en de informatie druppelde maar heel gestaag door. Ze vroeg er ook niet echter, maar luisterde telkens oprecht als hij iets te zeggen had. Het litteken op zijn rug was op zich heel snel gehecht en ook van het bloedtekort herstelde hij blijkbaar vrij vlot. Alleen de inspanning liet een soort druk achter op zijn borst, alsof er een draak in huisde, zei hij op een keer, die niet leek weg te ebben. Dat was vorige keren toch vlotter gegaan, dacht hij, ik word inderdaad ouder. Ijspatrijs had hem ervoor gewaarschuwd herinnerde hij zich. Hij zocht vaak de stilte...

Aan de boskant - Elf

Rodevos had zich gelukkig al losgemaakt van de gevaren die er in het oude woud dreigden en op sluwe wijze was hij er in geslaagd om zo goed als onzichtbaar te worden tussen al het prehistorische geweld, maar hij had de weg terug nog niet gevonden. D.w.z. hij had weten te overleven, maar was hopeloos verdwaald. Het had Springeekhoorn veel moeite gekost om hem te lokaliseren en nog meer om hem ervan te overtuigen met hem mee te gaan. De arme knaap was al behoorlijk paranoia. Al bij al was zijn operatie redelijk vlot verlopen. Tot ze haar tegenkwam natuurlijk. En zij was duidelijk in het voordeel, dit was haar terrein, haar territorium. Geen wonder dat Rodevos plots door de lucht geslingerd werd en Springeekhoorn een lelijke vleeswonde op zijn rug opliep. Ze ontsnapten. Gelukkig, maar niet zonder de snijdende kevers en de bloedzuigende nachtvlinders. Rodevos mankte en hoewel de vleeswonde van Springeekhoorn niet erg diep was, had hij wel veel bloed verloren. Zo sukkelden ze uiteindel...

Aan de boskant - Tien

Natuurlijk was het wel degene van wie hij dacht dat hij het was. Zo gaat dat soms. En Springeekhoorn wist ook onmiddellijk wat het betekende, maar zijn eerste reactie was te doen alsof hij Eenoogkater niet gezien had. Nu Zilvervleugel rustig in zijn armen lag, haar laatste tranen amper opgedroogd, kon hij het niet langer ontkennen. Behoedzaam legde hij haar vleugels als een deken om haar heen en sloop hij naar buiten. Hij was nog maar net een paar passen buiten toen hij de stem al hoorde. Ha, daar ben je. Ik dacht dat je jouw instincten al kwijt was oude schalk. Ssst, joor Eenoogkater, Zilvervleugel slaapt. Excuseer, hoor. Dat jij je na die laatste affaire nog aan een vrouwelijk wezen durft wagen, dat verwondert me. Zilvervleugel komt uit het Nieuwbos, zij weet van niets en is zeker geen spion voor het Oerbos. Kijk toch maar uit. Ik wil je niet opnieuw zien breken. Ik zei het je toch, Zilvervleugel… ’t Is al goed. Daarvoor kom ik niet. Waar kunnen we praten? Kom mee. Van sc...

bijna

het is altijd bijna in gedichten, metaforen zeggen het net niet. zo lijkt mijn taal op een danspartner, ik hou haar op een afstand, maar ze volgt mij op de voet. het ziet er naar uit dat wij lijf aan lijf aan elkaar gewaagd zijn. maar onze verleiding is gespeeld en mijn gemiste kans is zij, een kus op de wang, haar zucht langs mijn oor. ik kan niet ontkennen dat ik een onderlichaam als een draak in mij draag, dat ik verlang naar meer dan rituelen. waar ik mij zo intiem aan wil hechten, knoopt mijn broek niet los, bijt mijn lippen niet stuk en baart geen kind voor mij.

opdracht

er blijft niets anders over dan te schrijven; het regent en opkomende wolken vergrijzen wat ooit zo blauw kan zijn of vol met sterren. niets blijft er over dan letters op papier te kerven, met een pen in de hand gelaten te belijden, wat schoonheid was moedig aan te wijzen.

vlinder

zij heeft plaats waar ik kom, achter elke geopende deur licht zij op en verandert om de vijf seconden van kleur. zij dwaalt rond de vijver en hangt gepind en gedroogd in een kader tegen het gebloemde behang, links van het bed, in de slaapkamer. zij verschijnt onverwacht in kriskraswolken, komt af op mijn geur, zij bocht en dwarrelt binnen als een sleutel in een gesloten deur ontpopt in mijn kloppende aders, keer op keer, tot mijn lichaam een zwerm is, een bonte verzameling in de lucht, door een open raam gevlucht.