Doorgaan naar hoofdcontent

Posts

meespreken

met veel misbaar het kippenhok uitgemest en schoongebezemd. langs het hofpad telkens neergehurkt en onkruid uitgewied. een deur geschilderd met een witte grond- laag, morgen moet de eerste kleur erop. het gaat allemaal nogal traag en ik weet niet wanneer ik weer meespreek in het verhaal. toch fluit ik meer dan de helft van de tijd, sta ik stil en kijk naar boven als de zon op mijn gezicht schijnt. with a lot of clamour I mucked out the chicken coop and broomed it clean. I kneeled time after time on the garden path to upweed the weeds. I painted a door with a white primer, tomorrow the first colour will have to be applied. it goes quite slowly, all this, and I don’t know when I am having my say again in the story. yet, I whistle more than half of the time, I stand still and look up when sunbeams shine on my face.

bekeken

het bladerdak van de grote eiken spiegelt in groen en nog groener achter het gras en het kleinste begin van bloemenweide op het einde van wat ik mijn stuk mag noemen. het uitzicht vanuit het raam is langzaam dicht en dichter gegroeid tot een vergezicht van meer en meerdere impressies. zo vol is het, zo vol van vogels en van vlinders, bijen en hommels, van zon en van meer nog, nog meer, dat ik het niet meer kan aanzien, en het voor bekeken moet bezien. the dense foliage of the grand oaks flashes in green and still greener behind the grass and the smallest start of a sea of flowers at the end of what I can call my lot. the view from the window has slowly grown tight and tighter into a scape of impressions and even more impressions. it is so filled, so filled with birds and butterflies, bees and bumblebees, with sun and even more, more still, that I cannot bear watching it any more and have to consider it being seen.

roerdomp

we hebben ‘m met z’n drieën gezien en vormen nu allicht een roerdompclubje, al was het eerst nog een wulpclubje, omdat, nu ja, we hebben niet de ogen van doorgewinterde ornitologen. het is pas als google-achterafje dat we lachten om het ontbreken van een lange snavel en het intrekken van zijn lange nek. 'spectulairder dan een wulp', schreven we elkaar, want hij staat op de rode lijst en is dus meer met uitsterven bedreigd. maakte het ons ook een beetje speciaal? vroegen we ons af, en hoeveel spotters zouden na ons, mogen ervaren om door een verrekijker de laatste vleugelslagen van zo'n schuchtere en bange vogel te zien vervagen.

strijd

ik hoef niet zozeer meer de tijd van mijn leven te beleven dat is nooit aan mij besteed dus laat me maar zoals het zich nu aandient ik moet mezelf mijn nukken gunnen en mijn momenten doorstrijden in een zetel en zenuwachtig bij voorkeur in de lente aanmodderen in de tuin die er daarna uitziet alsof er slechts heel even en af en toe een plan bij te pas kwam.

het vat is af, het glas tot de bodem geledigd

diepgeploegde voorhoofdrimpels wil ik hebben, waar de schaduwen van de jaren zich ophouden - net als mijn grootvader zaliger, net als mijn vader, mijn oudste broer, en zo snel mogelijk grijze haren op mijn hoofd, in mijn snor en in mijn baard, en daarna witte, kaal mag ook, zoals mijn grootvader aan moederszijde. tanden scheef, vergeeld daarna, verrot en uitgevallen - gapende stiltes in mijn mond. ogen dof, desnoods de staar erin, mijn oren laten me allicht sowieso in de steek zoals ze nu al bij mijn moeder doen, zodat iedereen zich roepend kenbaar maken moet en het volume van de tv altijd op maximum zal staan. net zoals mijn grootmoeder wil ik boeken lezen, maar vergeten wie of wat, en welk personage. voortdurend mezelf herhalen, mekkeren over het geleden leven en afzien, maar niet sterven, nog niet sterven, in ieder geval veel en veel te laat sterven en het bij God altijd beter weten als ik dan toch moet sterven, tot het onverstaanbaar reutelen wordt...

stem

de stem die mij roept, ik vertrouw haar niet. zij sprak reeds zoveel in de vreemdste talen. de stem die fluistert en zacht is en aaibaar, zij schreeuwt hysterisch en lacht mij breed toe. de stem die mij zwijgt, weet dat ik haar ontbeer; zij is het die stilletjes mijn lichaam afbreekt. die stem, eens gehoord, zal zij blijven spreken.

halfweg

gisterennamiddag halfweg langs de heide daarna de schaduw van het bos in met mijn loopschoenen aan, een zachte winterzon tussen de kruinen door, voldoende wind om vreemde gedachten over deadlines, formulieren en verdomde verplichtingen uit mijn haren te laten waaien, verkrampte mijn rechterkuit. onmiddellijk bleek joggen niet langer ontspanning, maar een hinkend en stukgescheurd verlangen naar pijnloos afzien. gisterenavond in de zetel dacht ik na. hoe maak ik daar nu poëzie van, hoe leg ik uit dat niet eens zo lang geleden mijn pezen en spieren mijn hart en longen nog konden volgen, hoe leg ik uit dat ouder worden bij mij begint met krampen in mijn rechteronderbeen en dat het een ontegensprekelijk drama is hoe je daarna langs dezelfde heide en tussen dezelfde bomen door niet meer dezelfde wind voelt, hoe alleen je terug naar huis sukkelt.